Waarde Heeren, Emeriti en gepeupel,
Na de uiteenzetting van de o.t. Primes inter Pares over de relativiteit van alles vóór 22 november 2004 toen de wereld nog aandeed als uitzichtloze drekvallei is het tijd voor een nieuwe openingspagina. De zojuist genoemde modderpoel is immers nog steeds aanwezig; ook na de geboorte van de hoop. In het diepe dal van het leven, waar alles schijnbaar zonder richting dwaalt, staan nu solide entiteiten die bouwen aan het heden en een toekomst, staand op de schouders van reuzen die Hen voorgingen in Hun idealen. Al bijna twee decennia lang staat een groep Heeren apart van de massa, met de voeten gevest op vaste rotsgrond en de ogen speurend in het rond, op zoek naar dat wat Hun ogen kan bekoren.
Het overgrote deel van de modder is immers niets meer dan residu, overgebleven slib na een grondige filtering. De uiterlijke vorm van dat slib verandert al; soms is zijn inferieure aard er zelfs niet meer van af te zien. Het staat vaak netjes met een das voor en de voeten gestoken in net schoeisel biertjes in zijn hoofd te gieten aan de bar in de sociëteit. Helaas is dit niet vrijwillig; het is slechts een luisteren naar de ijzeren scepter waarmee het Oudste zwaait. Zwaaiend met een scepter hoort u; is zitten op een troon dan de logische vervolgstap? Helaas, was het maar zo’n feest. Wij regeren nog steeds met de roodzwarte kaplaarzen aan tot onze knieën in de modder. Wij staan stront te scheppen, zoekend naar diamanten in een beerput. Een buitenstaander zal zich afvragen waarom die kloeke mannen, getooid met het roodzwarte kleinood, deze ogenschijnlijke sisyfusarbeid blijven verrichten. Wij hebben Zeus niet getart; dat wordt wel voor Ons gedaan. Toch blijft er een stroom Heeren – nieuwe gezichten met dezelfde dassen; onderwezen aan dezelfde leerschool – komen die dat ondankbare werk weer op zich nemen.
Dat is niet omdat de modderpoel ophoudt te bestaan of verandert in een schone rivierbedding; dat is hooguit een luchtspiegeling. De façade van fatsoen kan velen misleiden, maar de rechtschapen Heer doorgrondt deze uiterlijke schijn met een scherp oog. Kennis van het eigen karakter onthult namelijk niet alleen onze innerlijke aard, maar ook die van anderen. Een glimp van verbetering brengt Ons daarom geen ijdele hoop. Nee, af en toe gebeurt dat waarvoor Wij vol goede moed blijven. Als een zeldzame diamant, vinden we een steen die niet terug het dal in rolt. Ongepolijst, ruw, maar met potentie. De Heeren kijken elkaar dan aan, wetende dat ze weer een schat hebben ontdekt. Het gepeupel, de niet-Heeren, blijft waar het is, zich onbewust van de diepten waarin Wij wroeten. Ze profiteren van het Oudste, maar hun blik ziet het amper.
Gepeupel, niet-Heeren of niet-Vrienden, u weet wie u bent: U blijft wat u bent en ondanks het meeprofiteren van het Oudste – immers, u staat minder voor lul dan uw evenknieën elders in het land – blijft het voor u een onbereikbaar einddoel.
Heeren en Emeriti: U bent wat Ons op de been houdt. Ondankbaar werk is vaak uitputtend; maar dan zien de Heeren naast zichzelf en weerkaatst het licht van de das en de bretels van de mede-Heer in Onze ogen. Dan kijken Wij naar boven en zien Wij degenen die Ons voorgingen; het College dat Ons wijst waar we heengaan. Dan zien We weer waar we het voor doen en gaan we door in Onze noeste arbeid. Dat is immers waar Ons karakter Ons toe zet.
Het zij u gegeven.
Minzame knik,
Heer Bouwman
o.t. Primes inter Pares